Traditioneel doet BalieBreed soms verslag van een uitstapje. Zo dit keer van een recente trip naar Madrid en Extremadura, het gebied ten westen van Madrid, richting Portugal.
Om met het woord ‘Extremadura’ te beginnen. Ik meende altijd – als ik er over nadacht, zonder echt na te denken – dat hiermee werd aangeduid hoe genadeloos hard en droog door de koperen ploert gebakken het land erbij ligt, daar. Het betekent evenwel en dit vanaf de Romeinse tijd: voorbij de rivier de Douro.
Enfin. Nooit te oud om te leren.

Iedereen weet wel, want heeft wel gehoord, dat Spanje ‘meer is’ dan de verpeste kust en kustgebieden en bepaalde platgelopen trekpleisters en dat men graag ziet dat toeristen zich wat verder landinwaarts wagen. Dat geldt ook voor Extremadura, zo blijkt. Er ìs meer. Meer ruimte, in de eerste plaats, gevuld met enorme, geweldige natuurgebieden maar ook met onafzienbare arealen landbouwgrond en gebieden waarop eikenbomen groeien.
De vaderlandse stikstofdiscussie indachtig, kwam de idee op om de Vrede van Münster (15 mei 1648) althans gedeeltelijk op te zeggen. Namelijk voor het gedeelte waarin Nederland – haar voorloper de Republiek der Verenigde Nederlanden – een volledig soevereine staat werd, los van Spanje. Het kan immers niet anders dan dat de nieuwe Spaanse onderdanen in ‘de Nederlanden’ dan – eens te meer, denk aan de EU – vrije vestiging hebben in Spanje.

En het lijdt geen twijfel dat alle Nederlandse varkensboeren en kippenboeren met hun hele hebben en houwen en inclusief uitbreidingsplannen moeiteloos onderdak kunnen in maar een klein gedeelte van het gebied ten westen van Madrid, waar niemand last van ze heeft omdat er niemand woont. Je kunt gemakkelijk 100 km afstand houden tot natuurgebied en stadse bebouwing. Ieder varken z’n eigen 20 m2, bij wijze van spreken. Lekker lokale biologische eikeltjes eten in plaats van de rotzooi die nu per oceaanschip wordt aangevoerd god weet waar vandaan. En na de onvermijdelijke slacht geen uitsnijden door Roemenen etc. tot allerhande kiloknallers, maar grote hammen waar de Spanjaarden – en wie weet ook de onderdanen in onze streken, op termijn – geen genoeg van kunnen krijgen en die voor goed geld kunnen worden verkocht.

Win, win. Alleen even een beetje Spaans leren.

En dan praat ik nog niet over de integratie van de vaderlandse betaald voetbal competitie in de Spaanse. Ik zou denken met één fusieclub van PSV en Ajax en een derde, die speelt in een te bouwen megastadion bij Oudewater, bereikbaar met elk denkbaar OV. Zijn we ook van die Groene Hart obsessie af.
Eindelijk vooruitzicht op enig succes in de Champions League. En wie weet kan Koeman, al een halve Spanjool, gewoon aanblijven als coach van het nationale elftal.

Tussen de natuurgebieden en landbouwpercelen in Extremadura liggen verspreid oude en zeer oude stadjes en steden. Toledo, Guadalupe, Trujillo, Caceres, Merida, Salamanca etc. Allemaal voorzien van een of meer RK godshuizen – honderdenmiljoenen projecten naar huidige geldwaarde – van een grootte en weelderigheid die duidelijk maakt dat ook toen de ‘gewone man’ opdraaide voor de kosten en het verder moest hebben van vergapen aan het spektakel. Weinig nieuws onder de zon in dat opzicht.
Alles afgelopen en ons vergaapt, zeker weten.
In twee plaatsen kon een rivier overgestoken worden over een brug uit de Romeinse tijd. Tweeduizend jaar oud! Stoer als het rijk zelf, destijds. Zonder aarzelen betraden we het wegdek, terwijl je in Nederland, een brug oprijdend, steeds vaker je afvraagt of je de overkant wel veilig bereikt.

In een van die oude steden, Merida, aan de rivier de Guadiana, zagen we op een foto hoe het inmiddels deels in oude glorie herstelde theater uit de Romeinse tijd er honderd jaar geleden bij lag. Boven een t.o.v. de Romeinse tijd circa vijf meter verhoogd maaiveld, staken nog net wat brokken van muren en stukken zuil, desolaat, overgroeid. Sic transit Gloria Mundi.

En toen, en toen kreeg ik een mooi visioen … .

Ik stelde me voor hoe circa 2000 jaar na nu, na de teloorgang van het Amerikaanse Empire*, ineens belangstelling ontstaat voor de muurdelen en afgebroken nepzuilen die al weer eeuwen nog net uitsteken boven het sterk verhoogde maaiveld aan de Potomac rivier. En hoe dan in de decennia daarna restanten worden uitgegraven en de brokstukken van de quasi Romeinse  kitschpaleizen van de National Gallery of Art en het Capitool weer gedeeltelijk op elkaar gezet worden, om te worden bewonderd door de toeristen uit China, India en Afrika. Tot hun vermaak en lering hoe dingen kunnen verkeren.

Opgewekt gingen we op zoek naar een restaurant voor de lunch.



* The History of the Decline and Fall of the Roman Empire,
Edward Gibbon