Naar vaste gewoonte heeft BalieBreed een paar weken gewacht met commentaar geven op ‘Loosdrecht’. Wie weet zou uit andere hoek het verlossende woord gesproken worden. Het woord dat tussen de zondvloed van overbodige, voor de hand liggende praat, de kern van de zaak bespreekt. In de goede richting zat Stephan Sanders in zijn NRC column van 18 mei 2026. Maar het kan beter.
De gelegenheid wordt gebruikt om een fundamenteel manco van het Nederlandse asieldebat aan de orde te stellen, een funeste ‘framing’, die in hoge mate de basis vormt van ‘Loosdrecht’. En trouwe lezers weten welk gevaar er volgens BalieBreed schuilt in framing, die heden ten dage altijd komt van de zijde van de rechts extremisten en de fascisten.

Een tweeluik dus, in twee delen.
We beginnen met het tweede punt: het fundamentele manco in het Nederlandse asieldebat. Daarvoor gaan we even terug in de tijd.

Na de Nazi machtsovername in Duitsland in 1933, kwam er een stroom vluchtelingen op gang richting Nederland: Duitse joden en joden uit verder oostelijk gelegen landen, die al leden onder discriminatie en vervolging dáár en het zwerk eens te meer zagen drijven. Deels op doorreis naar elders, Engeland, de VS, Zuid Afrika, Zuid Amerika etc. Deels op zoek naar een veilig heenkomen in Nederland.
Vluchtelingen dus, op de vlucht voor (dreigende) vervolging. Joden, zeg ik nog een keer. Hoe reageerde de Nederlandse regering? Aan de Jongs standaard werk [1] ontleen ik in ruwe samenvatting het volgende: Door ontkenning van de werkelijkheid in Duitsland, en ook overigens afhoudend en afwijzend en dit juist méér naarmate de vervolging toenam en de dreiging duidelijker werden. Ik schets dit in twee passages ontleend aan de de Jong. Een (verdere) grove simplificatie, zeker, maar m.i. ook volgens de Jong zelf een goede typering van dat beleid.

De ambtenaar van Lier schreef in notities die invloed kregen en behielden in regeringskringen, dat het om twee soorten vluchtelingen ging. Ten eerste ‘zij die uit hoofde van hun politieke overtuiging, hun godsdienst of hun ras vervolgd waren of vervolging vreesden ‘ en dat daaronder een aantal was dat alleen uit Duitsland was weggetrokken ‘omdat hun geweten niet zuiver was’. En, ten tweede, degenen die ‘in hun bestaan werden getroffen of bedreigd. Dit zijn vluchtelingen om economische redenen (…) geen eigenlijke vluchtelingen, evenmin als een deel van de eerste categorie. Het zijn veelmeer ‘landverhuizers’ die wegtrekken omdat het hun in hun werkelijke of aangenomen vaderland te unheimisch werd of omdat zij aldaar geen behoorlijke existentie meer vonden of nog slechts een precair bestaan hadden.’ [2]

En dan een citaat uit een instructie aan OM en politie, uit mei 1938, na de ‘Anschluss’, met al het openlijke en dodelijke geweld jegens de Oostenrijkse joden dat onmiddellijk volgde.
‘Een vluchteling zal voortaan als een ongewenst element voor de Nederlandse maatschappij en derhalve als ongewenste vreemdeling te beschouwen zijn, die derhalve aan de grens geweerd en, bij binnenslands aangetroffen, over de grens gebracht zal moeten worden [3].

Eind 1938 voltrok zich in heel Duitsland de Reichskristallnacht. Een regelrechte pogrom waartoe werd aangezet door de Duitse regering. In reactie daarop werd het Nederlandse beleid t.a.v. joodse vluchtelingen uit Duitsland iets versoepeld. Inmiddels was opgericht een ‘Comité voor Bijzondere Joodse Belangen’ (CvBJB) dat als klankbord/informeel adviesorgaan optrad voor de Nederlandse regering. Een instituut dat griezelige overeenkomst vertoont met de latere ‘Joodse Raad’, ook in personele bezetting. Van een onderhoud met minister Goseling werd vanuit het CvBJB het volgende opgetekend:

‘Wij hoefden nauwelijks te zeggen waarom wij kwamen. Er heerste een uit traditie geboren bereidheid, een wijkplaats te verlenen, maar tegelijk een uit beleid ontstane voorzichtigheid die het getal der op te nemen vluchtelingen beperkt wilde zien. Bovendien stelde men de eis dat deze in kampen zouden worden opgenomen (…). En daar de financiën van de staat niet met de zorg voor hen belast mochten worden, vroeg men ons, vóór de volgende woensdag, dus binnen drie dagen, een garantie te s6ellen van een miljoen gulden voor de kosten van onderhoud en van de inrichting der kampen (…).

Kamp Westerbork zag daarmee het licht. Hoe het de geïnterneerden verging toen de volgende golf Duitsers de grens overstaken, militairen dit keer, heb ik niet willen nagaan. Veel goeds stel ik me er niet van voor.

Hé daar, Geert Wilders, hé daar Marjolein Faber!! Het strengste asielbeleid ooit, dat van jullie? Leugenachtige motiveringen en zwartmakerij van regeringswege, dicht gehouden grenzen, push backs, uitzettingen, internering. En dan van joden zeg ik er pesterig bij, met voorbijzien even aan het verschil in tijdstip en context. Kom daar eens om, Geert Wilders en Marjolein Faber!!

Ik ken geen signalen dat, na de bevrijding, Nederland en de over haar gestelde autoriteiten met voldoening terugkeken op de beschreven episode en het gevoerde beleid. Evenmin dat men zich doodschaamde. ‘Vooruitkijken’, was het devies. Ook m.i. om te kunnen vergeten hoe Nederland en de onder de bezetting nog resterende over haar gestelde eigen autoriteiten hebben laten gebeuren en meegewerkt aan de afvoer ter vernietiging van 100.000 landgenoten, meest joden. Het kleinere tekortschieten verdween zo als het ware in het zoveel grotere en de behoefte deze te vergeten en achter zich te laten [4].

Daarom kon ook in 1953 zonder veel terugkijken en introspectie toegetreden worden tot het VN Vluchtelingenverdrag van 1951. Een hamerstuk in ons parlement. Het volgende citaat uit de MvT van totaal 7 pagina’s zegt genoeg:

Ondergetekenden kunnen zich geheel verenigen met het in het Verdrag tot uiting gebrachte streven om een rechtsregiem in het leven te roepen voor de in artikel 1 opgesomde categorieën van vluchtelingen. Ook al genieten deze vluchtelingen in de praktijk veelal een bevredigende behandeling, toch zijn deze personen — die hun land verlieten om te ontkomen aan vervolging om wille van ras, godsdienst, nationaliteit of politieke overtuiging tot dusver formeel rechtloos, hetzij omdat zij staatloos zijn, hetzij omdat zij niet meer kunnen of willen terugvallen op hun eigen nationale autoriteiten.
(…)
Ondergetekenden zijn van oordeel, dat Nederland het aan zijn traditie verschuldigd is aan het Verdrag een zo ruim mogelijke werkingssfeer te verlenen en dit niet te moeten beperken tot de Europese vluchtelingen.
(…)

Geen spoor van een kwaad geweten, enig kwaad geweten. Terwijl een woedend geweten op z’n plaats zou zijn geweest.

Goed. Wat wil ik nu zeggen met dit hele verhaal?

Dat, hoezeer doordrenkt van ten hemel schreiende schijnheiligheid en met sublimatie van een kwaad geweten – dat een woedend geweten zou moeten zijn – Nederland in 1953 aan een moreel imperatief heeft willen voldoen als het gaat om opvang en opname van vluchtelingen, waarin humaniteit voorop staat.
En dat – en dáár gaat het mij om – Nederland daarin reden zag om (weer) trots te zijn op Nederland. Dat geldt nog steeds en zal blijven gelden onder het EU Migratiepact.
Dáár moet volgens mij elk debat over asielopvang beginnen. Niet halverwege, waar de moeilijkheden bij uitvoering aan de orde zijn.

De omstandigheden zijn dramatisch veranderd sedert 1953 en zij vragen onmiskenbaar allerhande maatregelen. Maar het moreel imperatief en de trots blijven overeind als startpunt van discussie over die maatregelen. Geen rücksichtloos terugsturen meer en uitzetten naar wat een enkele reis gaskamer was gebleken, zoals toen, zo geef ik ter aanscherping van gedachtenbepaling nog mee.



[1] Voor een uitgebreid verslag kan worden verwezen naar het standaard werk van L. De Jong Het koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog, deel 1, pag. 446 e.v.. De boeken werden ooit meegenomen bij de ontruiming van het ouderlijk huis en is één deel voor het eerst ‘opengesneden’.

[2] Niet duidelijk is of het nadruk door Italisch uit de bron stamt of door de Jong is ingevoegd.

[3] Toegevoegd: Bijzonderlijk wordt er nog op gewezen dat aan de omstandigheid. Dat de vluchteling voldoende financiële middelen bezit, geen reden ontleend mag worden, hem hier te lande nog toe te laten of te laten verblijven.

[4] Zonder wetenschappelijk onderzoek meen ik dat als een land collectief ernstig, misdadig heeft gefaald, zo ongeveer de laatste betrokken dader moet zijn overleden voordat aan serieus zelf onderzoek wordt toegekomen. Tot dat moment wordt gezwegen.